UPDATE SLAPENDE DIENSTVERBANDEN

De kantonrechter te Maastricht heeft op 4 april jl. (ECLI:NL:RBLIM:2019:3208) een volgende uitspraak gewezen over het leerstuk van de slapende dienstverbanden mede in combinatie met de Wet Compensatie Transitievergoeding (WCT). De kantonrechter het verzoek van de werknemer (die arbeidsongeschikt is en de AOW leeftijd nadert) om de werkgever te verplichten de arbeidsovereenkomst op te zeggen en vervolgens een transitievergoeding te betalen, niet honoreert. De rechter stelt:

 

  • dat de werkgever niet verplicht is een arbeidsovereenkomst op te zeggen en ook in de (aanstaande inwerkingtreding van de) WCT onvoldoende grond ziet om af te wijken van de bestendige jurisprudentie.
  • dat de wetgever slapende dienstverbanden wil tegengaan, staat wel vast. Om werkgevers te stimuleren deze dienstverbanden te beëindigen, heeft de wetgever de WCT in het leven geroepen. Dit laat echter onverlet dat de werkgever nog steeds niet verplicht is dan de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Die verplichting heeft de wetgever niet opgelegd en kan ook niet uit de WCT afgeleid worden.
  • een streven van de wetgever om ongewenste situaties tegen te gaan vormt, ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en goed werkgeverschap, geen verbod (aan individuele werkgevers) tot het laten voortbestaan van die situaties.
  • bovendien dient de werkgever in geval van betaling van de transitievergoeding dit aanzienlijke bedrag voor te schieten. Ook op grond daarvan heeft een werkgever belang bij haar weigering om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Verder staat vast dat de compensatie zal worden betaald vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. Dit fonds wordt gefinancierd uit werkgeverspremies en daarmee is de compensatie (deels) een sigaar uit eigen doos.
  • en zullen die premies verhoogd kunnen worden indien (te) veel gebruik gemaakt zal worden van de WCT. Ook hieruit volgt dat de werkgever belang heeft bij haar weigering op te zeggen.
  • als bovendien een werkgever het beleid heeft om de arbeidsovereenkomsten met werknemers met een slapend dienstverband op te zeggen, zou het (wellicht) wel in strijd met goed werkgeverschap kunnen zijn als de werkgever dat in een individueel geval niet doet. Van een dergelijk beleid is in deze zaak niet gebleken. De werkgever heeft uitgebreid en gemotiveerd betoogd dat zij per geval een afweging maakt of zij door middel van opzegging een slapend dienstverband beëindigt.

 

Aldus een volgende uitspraak waarbij de rechter kiest ten gunste van de werkgever. Na de inwerkingtreding van de WCT de stand in de rechtspraak nu gelijk staat: 2 uitspraken ten gunste van de werknemer en 2 uitspraken ten voordele van de werkgever. Overigens de kantonrechter te Roermond in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBLIM:2019:3331) op 10 april jl. heeft besloten aan de Hoge Raad zogenoemde prejudiciële vragen over dit onderwerp te stellen. Kort en goed: of de arbeidsongeschikte werknemer in voorkomend geval (na 104 weken ziekte) een redelijk verzoek doet aan de werkgever (dat de werkgever niet zo maar kan weigeren) om mee te werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst (inclusief betaling van een transitievergoeding) mede in het licht van de Wet Compensatie Transitievergoeding. De HR daarover naar verwachting binnen enkele maanden een oordeel zal geven en vervolgens daarmee hopelijk de kwestie van de slapende dienstverbanden weer wat inzichtelijker wordt. Wordt vervolgd.